Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met redenen te omkleeden1, welk gebod door den H. R.2 dan ook zéér terecht als van openbare orde wordt beschouwd. Den eischer toch zijn die redenen betrekkelijk onverschillig in dien zin, dat hij toch zijn beweren zal hebben te bewijzen, en bij volstrekt ontbreken van eenige tegenspraak een verstekvonnis hem wellicht niet onaangenaam ware geweest. De rechter daarentegen kan de mérites van den strijd eerst na het hooren van de tegenpartij beoordeelen.

Van de opvatting der jurisprudentie nu zal het afhangen, hoever de gedaagde met de specificeering zijner middelen zal hebben te gaan. En voor ons leerstuk is het dan van belang te weten, of elke partij in het bijzonder volstaan kan met een foutief gegeven te ontkennen, dan wel of zij de dwaling nader moet omschrijven, door het vermelden der h. i. juiste toedracht.3

Wanneer liet nu aan den eischer vergund is, de lezing van de tegenpartij geheel of gedeeltelijk als de juiste te verklaren en deze over te nemen, is het duidelijk, dat volstrekt onverschillig is, of de gedaagde waarheid heeft gesproken, of niet. De overgenomen feiten behoeven, als onbetwist, géén nader bewijs; — de eerstgestelde feiten kunnen niet meer worden bewezen, als niet meer ter zake dienende. * En het groote voordeel van het overnemen bestaat juist hierin, dat het kostbaar en tijdroovend bewijs overbodig maakt, terwijl bij het opnieuw stellen in een volgend geding de eischer gevaar zou loopen, de feiten weersproken te zien.

Resumeerende kom ik tot deze conclusie: doel van het proces is de opheffing eener rechtsverhouding, die tot strijd

1) Art. 141, le lid Rv. 2) II. R., W. 7192 (conrl. O. M. contr.)

3) Dit natuurlyk cura grano salis. Wanneer (le gedaagde zich van geen reclii8-verhouding bewust is, die zóó op de geposeerde lijkt, dat hij moest begrijpen, dat deze bedoeld was, kan hij niet anders dan volstrekt onlkenuen. Bv. |{ wordt Aangesproken voor bezitsstoring door A; C voor een leenschiild, die nooit bestaan |>C/.t* gevallen zijn natuurlijk

hoogst zeldzaam.

4) Frustra probatur, quod probatum non relevat. Artt. 10», 2tH), 287, alle eerste lid, Rv.

Sluiten