Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 5. DE VERANDERING MET GOEDVINDEN VAN DEN RECHTER.

I. Wij hebben dus in het bovenstaande twee groepen van gevallen leeren kennen, waarin het den eischer geoorloofd moet zijn, éénzijdig, dwz. zonder 's rechters tusschenkomst, wijzigingen aan te brengen in de door hem te berde gebrachte middelen. Want noch de functie der dagvaarding, noch de verdediging van den gedaagde worden er door geschaad of belemmerd, omdat de verandering juist mogelijk is wegens de kennis, die de gedaagde-zelf van den stand van zaken bezit.

Maar onder beide groepen zijn, hoewel vele, toch lang niet alle omstandigheden te brengen, waarin wij reeds vroeger den eischer gelegenheid wilden geven, te veranderen. Mits maar aan het logisch vereischte, dat in één geding oplteffng derzelfde rechtsbetrekking moet worden nagestreefd, blijft voldaan, bepleitten wij voor elk geval vergelijking van belangen van beide partijen. En ^en chaos van voorbeelden zou men hier kunnen geven, een chaos, aan de jurisprudentie ontleend, en waarin het onderscheiden van afzonderlijke gebieden volstrekt onmogelijk is. In èlk proces, over èlk recht, is verandering denkbaar, en wilde men catalogiseeren, het ware alléén mogelijk naar de aanleiding tot de verandering: opmerkingen van de tegenpartij, ontdekken van vergissingen, het bestaan eener dwaling; terwijl dan in de laatste gevallen tusschen excusabiliteit en nonchalance zou kunnen worden onderscheiden. Maar de moeilijkheid is, dat de beslissing over de toelaatbaarheid gebaseerd moet zijn op belangenvergelijking, en dat alle schakeeringen te denken zijn: van groot belang voor den

Sluiten