Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfs nog niet aanhangig wordt,1 en van de functie der conclusie van eisch, die zich tot den rechter richt, en een bron van processtof is, — het voorstel zou niet gedaan zijn. Gelukkig, dat de bedoeling der voorstellen louter formeel was: besparing van een procesakte, dus van moeite en van kosten!

Ik geloof, dat de uitvoerigheid van onze dagvaarding te verklaren is, docli op een misverstand berust. Ik geloof, dat wij scherper moeten onderscheiden het stellen in het algemeen, het brengen in het proces dus, en het stellen in de dagvaarding. Opdat den eischer zijn actie zal kunnen worden toegewezen, moeten verschillende feiten vast staan, bewezen zijn, dus vooraf gesteld. Welke feiten dat zijn, leert ons het materiëele recht Maar deze staan volstrekt niet in een noodzakelijk verband met de feiten, die in de dagvaarding moeten voorkomen. Deze toch vervult een eigen functie, en slechts het procesrecht, liet formeele recht, schrijft voor, welke daartoe de inhoud van het stuk moet zijn.2 Nu is het mogelijk, dat het formeele naar het materiëele recht verwijst, en dus opname van alle, de actie rechtvaardigende en te bewijzen feiten voorschrijft. Ik hoop aangetoond te hebben, dat dit ten onzent het geval niet is.3

De verwarring heerscht ten onzent onopgemerkt4; men maakt van den juisten zin „alle te bewijzen feiten moeten gesteld zijn," zonder er zich rekenschap van te geven, den regel: „alle te stellen feiten moeten reeds in de dagvaarding

1) Hierover heerscht strijd. M. i. geschiedt het aanhangig-worden door de inschryviug ter rolle. Kvetieens v. Kossem, W. v. B. Rv , ad art. 1, n. 3, met litt. en jur. Voor het Fr. R Garsonnet II $ 259; Glasson, Précis I 292.

2) Dat de voorschriften over den inhoud der dagv. tnirer processueel zijn, zeide reeds Saviguy, Syst. VI 533. Zie litt. bij Petersen, Z Z P 3, 394, over een onderscheid tusschcn A'/a^igruud en 2tarti«grund.

3) Daarom zeide de li. R. zeer terecht (P. v. J. 1902, 134): „niet elk verschil in de formuleering van een hewijsaanbod met de in de dagvaarding omschreven feiten behoeft te worden aangemerkt als verboden verandering van onderwerp."

4) Zeker bv. onjuist Amsterdam W. 1598, eischend opgave van middelen in de actie van art. 268 B. W.

Sluiten