Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet nauwste verband met het vraagstuk der actieverandering staat, behoeft nauwelijks opgemerkt. Daar blijkens de voorafgaande beschouwingen het artikel uitdrukking geeft aan een algemeen beginsel onzer rechtspraak, wellicht slechts een consequentie is van art. 11 A. B.,1 geloof ik, dat het onnoodig en onjuist is, de verplichting des rechters tot het aanvullen te beperken.2 Al vooronderstelt het artikel, ook blijkens het slot, dat partijen eenige rechtsgronden zullen aanvoeren, de rechter heeft die volstrekt niet te eerbiedigen, kan ze buiten beschouwing laten, ze veranderen of verbeteren, hetgeen zeker méér zal geschieden, dan een enkele aanvulling, waarvan in het artikel sprake is.

Nu is echter de vraag: moet de eischer zich over rechtsgronden uitlaten; zijn, m. a w. deze onder de middelen van art. 5 begrepen? Zoo ja, dan zijn de termen onderwerp en middelen in de vroeger vergeleken artikelen 184 en 5, 3" niet identiek. Ik ben geneigd, èn wegens de ten onzent door de dagvaarding te vervullen — hierboven besproken — rol, èn naar analogie met het art. 857 Rv., waarin de feiten en rechtsgronden naast elkander worden genoemd,die identiteit te ontkennen. Wil de eischer zijn tegenpartij behoorlijk over liet onderwerp van den strijd inlichten, dan zal liij onmogelijk de schakel kunnen verzwijgen, die liij gelegen acht tusschen de rechtsfeiten en de conclusie; liet syllogisme zal in de meeste gevallen immers eerst voor den gedaagde begrijpelijk zijn, wanneer óók de major wordt bekend gemaakt. Wel kan de rechter dien major buiten beschouwing laten, en zijn

1) Aldus Faure II 205.

2) De beperkte redactie is in. i. een jrevol}? daarvan, dat de wetgever te veel voor oojren had het voorschr. der 1. un C, ut quae desuut advocatis partium, judex suppleat (2.11) en de uitspraak van \oet, ad Pand L de jud. 49: quae juris sunt, recte ca judex suppleverit. In het oud-\ad. jrcdinjj vinden wij weder een clausule: „omni meliore modo"; volgens lluber: „een «jroel aan den rechter." Zie ook v. Leeuwen, Cens. forensis II I XXIV 4, met litt. Zie verder II K. W. 499N.

3) Faure II 286.

Sluiten