Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet bestaan van zaakwaarneming toegewezen. De H. R. bevestigde de juistheid dezer beslissing, daarbij eenvoudig overwegende, dat het contract géén feit constitueerde, waarop de vordering gebaseerd was.1 Het gestelde feit wordt dus irrelevant verklaard, en derhalve ter zijde gesteld. Minder uitdrukkelijk geschiedt dit in een vonnis van de rb. te Alkmaar, waarin, terwijl op grond van bezitsstoring schadevergoeding werd gevraagd, de stoornis niet bewezen werd geacht, doch de schadevergoeding desalniettemin, als uit onrechtmatige daad verschuldigd, werd toegewezen.2

Maai ook omgekeerd is moeilijk de beslissing, of een gegeven tot de feiten of tot het recht behoort. Zoo besliste de H. R.,3 dat den rechter geoorloofd is te overwegen, dat de gedaagde niet behoorlijk in gebreke is gesteld, hoewel deze zich op dat verzuim niet had beroepen; terwijl daarentegen een ander4 college deze aanvulling verboden achtte. De H. R. zou dus ook aan eischer de gelegenheid tot nader beroep daarop hebben verleend.

De algemeene phrases, waarmede gewoonlijk het onderscheid wordt aangeduid, zijn niet in staat in moeilijker gevallen te doen beslissen. Zeker is het waar, dat aanvalsen verdedigingsmiddelen, die uitsluitend op de wet steunen, tot de rechtsgronden bebooren,5 zoodat een beroep daarop door partijen vrijelijk tijdens het geding kan geschieden. Evenzoo de middelen, die met de kennis van de wet direct uit de opgegeven feiten zijn af te leiden." Soms stempelt de wet zelf den grondslag van een voorschrift al of niet tot rechtsgrond, zooals absolute onbevoegdheid en verjaring,7 al

1) 11. K. W. 3580 (concl. O. M. coutr.)

2) Alkmaar, P v J 1895, 75.

8) H. R. W. 4268.

4) Hof Amsterdam W. 5914.

5) H. R, K R, 64 j 2 v. (over»., dal liet jaehtreeht niet in den handel was in 1823).

61 llof den Haa;; W. 7899.

7) Artt. 156 Rv, en 1987 BW.

Sluiten