Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwaar zien, art. -4-8 toe te passen, wanneer schadevergoeding wegens onrechtmatige daad gevorderd wordt, terwijl zij feitelijk wegens niet-nakoming eener verbintenis had moeten worden geëischt, — of wel, wanneer de onrechtmatigheid, in plaats van uit inbreuk op een zakelijk recht, uit een contractuëele verhouding wordt afgeleid.1 Immers is het de vraag, of, niet waarom de daad den eisch rechtvaardigt; alléén de juridieke rechtvaardiging van het verlangen wordt gewijzigd, mits de feiten, waarom het gaat, maar dezelfde blijven!

Verder ingaan op dit vraagstuk is voornamelijk daarom niet noodig, omdat liet aanvullen van rechtsgronden in verreweg de meeste gevallen geschiedt ten behoeve van den gedaagde, die een zuiver op de wet steunend verdedigingsmiddel heeft voorbijgezien. Wat als rechtsgrond is te beschouwen, kan echter, in gevallen van rectificatie door den eischer, met vrucht uit dergelijke beslissingen worden opgemaakt.2

VIERDE H00FD8TUK.

HET PUBLIEKRECHTELIJK KARAKTER VAN HET VERANDERINGSVERBOD.

Wij hebben bij onze beschouwingen tot nog toe uitsluitend gelet op de belangen van partijen, en tevens gevonden, dat ook elders de voorwaarden voor de mogelijkheid van wijzi-

1) Daarom te formalistisch H. R., W. 1852. Hetzelfde bezwaar tegen Hof den Haag W. 8252. Verg. nog Hof Amsterdam W. 8277, vern. Utrecht W. 7692, over de toepassing van art. 1401 of 1404 B. W.j Groningen K. B. 1860, 345 v; H. R-, W. 5113 („het factum illicitum" blyft hetzelfde), bev. Hof den Haag W. 5031. In strijd met H. R., W. 3530, cit. supra: Groningen W. 4359.

2) Men leze in R. M. 24, 257 v., een artikel van de hand van Mr. Koksma, waarin zeer terecht aanmerking wordt gemaakt op een verwarring in de terminologie. De schryvers stellen reehts^ronden tegenover rechtsmiddel* m ,- ook uit ons betoog blykt, dat slechts een onderscheid tusschen rechts gronden en feitelijke gronden relevant is.

Sluiten