Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo in liet Fransche1 als in ons proces zoo goed als onbekend. De lijdelijkheid toch is in deze procedure zóó ver doorgevoerd, dat de invloed van den rechter op de eigenlijke gedingstof en hare aanvoering tot een minimum is beperkt. De procesleiding ten onzent is formeel, hoofdzakelijk in het vaststellen van termijnen zich manifesteerende; een discretionnaire macht, die in casu misbruiken in het te laat of onbehoorlijk te berde brengen van processtof keeren kan, kennen wij niet. ' Ingrijpingen kunnen dus door den rechter alléén worden gebaseerd op een bevoegdheid, aan een voorschrift van openbare orde ontleend. Daar nu evenwel de dagvaarding slechts in één, vrij onbelangrijk, geval (beteekening van het exploit door een onbevoegden deurwaarder3) ambtshalve kan worden nietig verklaard, zoodat ook hier de belangen van den gedaagde alléén in beschouwing komen, en de conclusies (behalve wanneer zij een litisintroductoir karakter hebben 4) niet nietig kunnen zijn, blijkt hieruit, dat onregelmatigheden in den inhoud dier stukken, of in de onderlinge verhouding hunner inhouden, den rechter niet tot ambtshalve ingrijpen in staat stellen. Buitendien geschiedt in ons geding de dagvaarding nog geheel buiten den rechter om, zoodat daarin zeker het privaatrechtelijk karakter overwegend, en de publiekrechtelijke functie van het voorschrift van art. 5, 3" stellig minstens secundair is. Alléén op veranderingen bij pleidooi zou de rechter niet behoeven te letten, omdat het vonnis wordt gebaseerd op den door partijen gestelden, schriftelijken grondslag, en zelfs luisteren naar het pleiten slechts een zedelijke, zeker géén rechtsplicht is. In verband trouwens met de beteekenis der mondelinge b 'handeling in ons proces moet begrijpelijk zijn, dat

1) Integendeel, men spreekt «laar van Belfgovermnent. Veranderingen met toestemming worden toegelaten, Pand. V° conel. 222 v., en 1)1. 142, n 1-

2) Aldns C P O 4* 278 en 279; Ó C P O H HO v.

3) Art. 95 Rv. 4) Art. 287 Rv.

Sluiten