Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan beweerd,1 en wordt het verband door ettelijke auteurs in het Duitsche wetboek gelezen.2

In den laatsten tijd daarentegen zijn er stemmen3 opgegaan, die gewezen hebben op het onnoodige en onwenschelijke van de opvatting, als zouden de gebieden der verweermiddelen elkander raken. Zeer goed denkbaar immers ware een zóó ruime mogelijkheid van verandering, en een tot zóó enge grenzen beperkte exceptie van gewijsde zaak, dat een breede groep van gevallen bestond, waarin de eischer op beide wijzen, èn door wijziging, èn door het beginnen van een nieuw geding, zijn doel kan bereiken. Gevallen van rechtsverlies door het instellen eener verkeerde actie waren dan niet denkbaar; terwijl omgekeerd liet nalaten van verandering uit vrees voor aanmerking géén exceptie van gewijsde in het tweede geding ten gevolge zou hebben. Buitendien maakt men zich bij aanneming van het gewraakte verband nog schuldig aan deze theoretische fout, dat zonder nader bewijs wordt aangenomen de noodzakelijkheid van congruentie van den omvang der gewijsde zaak en den inhoud der dagvaarding. Want geenzins behoeft de omvang der gewijsde zaak alléén uit het libel te worden afgeleid, zonder den invloed te kunnen ondervinden van het later in het geding gebrachte.4

Wat nu ons recht betreft, waarin het leerstuk van het gewijsde op normale wijze is geregeld, terwijl de mogelijkheid van actieverandering door de jurisprudentie buitengewoon is beperkt geworden, ligt het voor de hand, dat

1) Zie o-a. Pe*ersen Z ZP III, 399; Rumelin A C P 88, 87: Protok. der Reichsjustizcomm. 542: „l)er Kntwurf stehe auf dem gleichen Standpnnkt, wie Uadcn, welches die KI. A. soweit zulasse, als sie naeh den Grundsatzen des res judicata zulassig sei."

2) Petersen in Grüch. Beitr., 28, 678 v. en Z Z P III, 399. Ihid. uitv. litt. opgave. Aan het hier besproken verhand vooral wijdt Schmidt zyn werk over de Klagiinderung (1889). Helaas echter verklaart hij in de Krgünz. Lh. 115 n. 3., dat na de Novelle van 1900 het verhand verbroken is.

S) Voornamelijk Rümelin A C P 88, 87 v.; Scherling Z Z P 32, 206, alwaar nog genoemd Seitfert en Ganpp ; Kiefe, KI. A. I 4 6.

4) Verg. met deze beschouwing Rümelin 1, c., 113; en Leonhard, Güttingischc gel. Anz. 16, 2, 676.

Sluiten