Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, en b v. liet oordeel vau Killen die eeu onderzoek naar de verschillende recensies onbelangrijk vindt ómdat liet „forgeries" zijn, niet kan worden onderschreven; immers elk geschrift, hoé de schrijver heeten moge, is belangrijk als kenbron voor den kring en den tijd waaruit het voortkomt; — zoo dunkt het mij nuttig ons onderzoek bij den persoon van Ignatius van Antiochië te beginnen. Bedenkingen tegen vorm en inhoud van onze geschriften als brieven ingebracht, plegen te worden beant Woord met een beroep op de bijzondere omstandigheden waarin de schrijver zich bevond; mochten die omstandigheden blijken niet zoo bijzonder te zijn, dan zou dit beroep krachteloos Worden; dit te onderzoeken is dus een eerste vereischte.

Bij het onderzoek van dit punt worden, krachtens de boven noodzakelijk geachte wijze van behandeling, alleen die getuigen geraadpleegd, die onafhankelijk van de brieven zijn. Omgekeerd is in Hoofdstuk III niet gesteund op het resultaat in II verkregen.

In het vierde Hoofdstuk is slechts in zóóverre gebruik gemaakt van de uitkomsten in de beide voorgaande verkregen, dat ik me ontslagen acht van de verplichting eener opzettelijke bestrijding van Harnack's 2) dateering der brieven, welke wordt afgeleid uit den in de brieven onderstelden leeftijd van Polycarpus; die leeftijd, ongeveer vijf en veertig jaar, wordt nl. bepaald uit den toon dien Ignatius tegenover zijn collega aanslaat: „so spricht selbst ein aufgeregter Martyrer nicht zu einem HOjahrigen, auch nicht zu eiuem GOjiihrigen Mann, schon gegenüber einem 40—50jiihrigen ist die Sprache auffallend!" Eindelijk, ook bij de behandeling van 'schrijvers „dogmatisch standpunt" acht ik het nuttig aan den „aard van het werk" te herinneren, opdat we in het oog houden dat de brieven een algemeene strekking hebben.

Het meest algemeen worden de chronologische bezwaren

') W. D. Killon, The Ignatian Epistles entirely spurious, Edinburg 1886. '•*) A. Harnack, Gescliichte <ler Alt-Christlii'lion Litteratur bis Eusebius, Leipzig 1893, 11: 1 S. 4O5-40C.

Sluiten