Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarde dan de andere, misschien geheel willekeurige, opgaven iu de hisschopslijsten — van geringer waarde dan Eusebius'

andere dateeringen.

G. Volkmar ') onderstelt dat Eusebius meer beredeneerd te werk ging. De gangbare opvatting onder de oude kerkelijke geschiedschrijvers is dat Plinius' brieven Trajanus tot betere gedachten brachten en dat na die briefwisseling geen vervolgingen en martyriën meer voorkwamen, een opvatting die we ook uit cap. 11 van de Acta Romana kennen; krachtens diezelfde opvatting dan, zou Eusebius den dood van Syraeon en Ignatius geantedateerd hebben, vóór de correspondentie met Plinius. Deze redeneering komt mij vrij gezocht voor, en althans in 't geval van Eusebius onwaarschijnlijk. Als hij werkelijk zich den gang van zaken zoo voorstelde, waarom week hij dan in zijn Kerkgeschiedenis ervan af, waar we eerst de Plinius-correspondentie, daarna de beide martyriën vermeld vinden?

Wenden we ons nu tot Hiëronymus' tekst, dan vinden we van een compilatie, als in de Armenische vertaling, geen spooi. slechts de martyriën van Simon en van Ignatius worden tot Trajan. X gebracht, de Plinius-correspondentie tot Trajan. XI. Maar het feit, dat we hier onder twee op elkaar volgende jaartallen drie gebeurtenissen vermeld vinden, die ons in de Kerkgeschiedenis in afwijkende volgorde, ja zelfs vermengd met andere opgaven, worden meegedeeld, wekt reclitmatigen twijfel of Eusebius aangaande de dateering van deze gebeurtenissen wel eenige zekerheid had. Twee gegevens treffen we in beide werken van Eusebius aan: ten eerste, dat de drie genoemde feiten onder Trajanus' regeering moeten worden gesteld; en ten tweede, dat zij plaats vonden vóór zijn twaalfde

regeeringsjaar ")•

Niet dan betrekkelijke waarde mogen we dus aan de Eusebiaansche dateering, Trajan. X, hechten. Hiermee is tevens

') G. Volkmar, Handbuch zur Einleitung in die Apokryphen, Tübingen

1860, I S. 121 fgg.

:) Vgl. Eusebius, Kerkgeschiedenis 1111: 1.

Sluiten