Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moeten we Dr. Völter al toegeven dat Ignatius zich Ef 4, 510 en 6 met de gemeente tegenover den bisschop stelt, niet minder duidelijk stelt hij zich in de eerste helft van Ef 5 met den bisschop tegenover de gemeente; hetzelfde verschijnsel toont Pol 6 vergeleken met Pol 2. Mogen we dus uit deze

plaatsen al niet afleiden dat de schrijver gewoon gemeentehd was,

even verkeerd zouden we doen hieruit het bewijs te putten dat hg werkelijk bisschop was. Woorden als êimfroi ylvnvratoi Mgn 6, of óiaxovoi Gvi'öovkoi pov Phd 4 en Sm 12, of plaatsen als Ef 2 en Mgn 2 waar Burrhus en Zotion, de diakenen, Ignatius' mede-dienstknechten heeten, konden hem met hetzelfde recht tot diaken stempelen l); ook hier ontbreekt de tegenstelling echter niet, in Tr 2, en worden we gedwongen tot de erkenning dat de schrijver al evenmin diaken was als bisschop, al schijnt hij soms aan zijn held die waardigheid toe te kennen. Waarschijnlijk moeten we in hem een leek zien (Pol 6); want het komt mij begrijpelijker voor dat een leek zich indenkt in de rol van een kerkelijk waardigheidsbekleder, dan dat deze van dit (volgens de Brieven) hooge standpunt tot dat der n&vug

zou afdalen. _

Een laatste argument der echtheidsverdedigers dient besproken te worden. Zij wijzen op het herhaald verzoek om voorbede voor de Syrische (Antiocheensche) gemeente; dit verzoek duidt op ongunstige omstandigheden waarin de bedoelde gemeente ten gevolge van een Christenvervolging verkeerde; de bisschop van Antiochië wordt als gevangene weggevoerd en denkt nu vol onrust aan den droeven toestand der zijnen — hebben we niet hier een ongezocht bewijs dat onze schrijver werkelijk gevangene, Antiocheeusch bisschop en martelaar is?

Wij behoeven niet te beslissen in het pleit tusschen Baur c. s. en Lightfoot met zijn medestanders, of een vervolging — op grooter of kleiner schaal — in Trajanus dagen waarschijnlijk is. M. i. geven de Brieven, meer bepaaldelijk het daarin vermelde „gebed voor de Antiocheensche gemeente

') Zie evenwel voor awóoOXoi beneden, § 12.

Sluiten