Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brief. Bovendien is die aan de Romeinen (doch alleen deze) gedateerd.

Men ziet: Onze schrijver kiest den briefvorm; voldoende afwijkingen daarvan doen evenwel zien dat deze slechts inkleeding is; tevens, dat de schrijver daarvan geen geheim wil maken.

„De „Ueberkritiker" leggen gewoonlijk den nadruk op dergelijke van den briefvorm afwijkende plaatsen, als bewijs dat de auteur „uit zijn rol valt"; dit tegenover de apologeten, voor wie 's schrijvers „natuurlijkheid" een gewichtig argument is'). Beiden zoeken hun eigen opvatting te verdedigen, zonder op alle kwestieuse plaatsen den ander te weerleggen. Het komt mij voor dat hier de tweede partij ongelijk heeft. Weliswaar kan van eigenlijk „uit de rol vallen'' geen sprake wezen, daar we van meening zijn dat de schrijver hoegenaamd geen rol wil spelen, en doen we beter te zeggen dat hij zijn eigenlijke bedoeling doet uitkomen — maar indien er dan ook maar óéne plaats is aan te wijzen waar dit laatste het geval is, dan is hiermee de echtheid veroordeeld; de natuurlijkheid van de andere plaatsen zal dan moeten worden verklaard uit meesterlijk stileeren. Daarentegen rust op de tegenpartij de verplichting alle kwestieuse plaatsen te verklaren, ze alle als „natuurlijke" uitingen van briefschrijvers te verdedigen. Dit ziet noch Zahn, noch Harnack, noch Völter; Lightfoot wel, en deze tracht dan ook alle verdachte plaatsen te verklaren, m. i. echter onvoldoende; de afwijkingen naar den vorm kan hij evenwel niet loochenen.

II. Geven de geschriften blijk vaneenpersoonlijke betrekking tusschen schrijver en lezers, zoodat we ze mogen beschouwen als gericht aan bepaalde personen of aan bepaalde groepen van personen? Is er een bepaalde aanleiding tot schrijven? Wat is de bedoeling van den auteur?

') Sterk b.v. hij R. Rnthe, Die Anftlnge der Christlichen Kirche, Wittenherg 1837, S. 715 fgg.

5

Sluiten