Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe moeten we verder ons een verhouding denken van onzen schrijver tot den man dien hij beurtelings prijst om zijn krachtig geloof, op een onwankelbare rots gevest (Pol 1), en dan meent te moeten waarschuwen tegen dwaalleeraars en ^ hun praktijken (3, 5); dien hij aanspreekt als „dto(»«x«e»<Jiót«tï" (7), terwijl hij toch vreest dat anderen n\tov aiixov yvaadrioovTui (ibid.); wiens aangezicht gezien te hebben hij zich gelukkig prijst (1), die hem heeft gesterkt (Mgn 15), maar dien hij toch tot meelij ver, tot dieper inzicht opwekt! Is zoo iets denkbaar wanneer we een persoonlijke relatie tusschen beiden onderstellen? Zeker niet. Bovendien wankelt die onderstelling nu we gezien hebben, dat de gemeenten tot welke de schrijver zich richt, voor hem niet reëel waren. Pol 5, waarop we in een ander verband al wezen, brengt het bewijs dat we hier moeten denken aan bisschoppen in het algemeen, samengevat, verpersoonlijkt, in Polycarpus, dien bekenden en beroemden.

Vergeefs zoeken we naar de reden die „Ignatius" tot het zenden van dezen brief kan hebben bewogen: een uiting van dankbaarheid .... waarvoor? een betuiging van vriendschap .... zoo vaag, zoo flauw ? Bestond om de eene of andere reden de noodzakelijkheid, Polycarpus wenken en vermaningen te geven ....

het blijkt uit niets.

Wij vinden m. i. de oplossing dezer vragen slechts, wanneer

we den „brief aan Polycarpus" beschouwen als „practisch handboek" voor bisschoppen, als tegenhanger en aanvulling van de voorafgaande „brieven", die de houding en de verplichtingen der gemeenteleden in allerlei omstandigheden regelen, en voornamelijk op aansluiting bij den bisschop aandringen; eensdeels door rechtstreeksche vermaningen, anderdeels door de teekening van een geïdealiseerde gemeente op welke de partijtwisten van 's schrijvers dagen geen invloed hadden.

De echtheidsverdedigers meeuen, in het groot aantal personen welke de schrijver bij name noemt of aan wie hij groeten zendt, een bewijs te 'hebben dat „Ignatius" wel degelijk in persoonlgke betrekking stond met de geadresseerden. Mij dunkt dat aan deze omstandigheid geen bewijskracht mag worden ontleend. Zien

Sluiten