Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijkheid ontkent «lat Ignatins te Antiochië met Trajanus een onderhoud zou hebben gehad en door dezen zou zijn veroordeeld. Lightfoot, en ook Funk, stemt met Zahn in. Het is de traditioneele opvatting, eene waartegen Hilgenfeld al in 1853 het nog onweerlegde bezwaar geopperd heeft, dat een mogelijke intercessie bij den Keizer veronderstelt dat Ignatius door een ondergeschikt ambtenaar tot opzending naar Rome zou zijn veroordeeld, wat onwaarschijnlijk is. Hilgenfeld argumenteert dit oordeel, door te wijzen op het bekende edict aangaande deze dingen van Antoninus Pius (wat mij een zwak bewijs toeschijnt tegenover Zahn, die het oog heeft op de toestanden onder Trajanus), en op de Plinius-correspondentie (wat mij deugdelijker voorkomt). De interpretatie welke Hilgenfeld dan als de zijne voordraagt, is, dunkt mij, mede onjuist. Wat de Romeinen voor „Ignatius" konden doen, zou zijn: „Fürbitte an Gott." Nu moet worden toegegeven, dat onze schrijver groote waarde hecht aan voorbede, zie slechts Rom 9: Mvtjiioi'sveic iv tt) nyooivxfi v(i&v zijg iv Zvyia ehkAijoioc. Dat echter hierop in onzen brief zou zijn gedoeld, is m. i. niet in overeenstemming met de teksten: Mistig tciiv Ttnoóvzar ip&i' poifteitta ttwG) (nl. den üqiovzi tov aiavog tovtov), heet het cap. 7 — schijnbaar een steun voor Hilgenfeld's voorslag. Maar het dan volgend f4«/Uov t'fiov yivso&e, tovréouv tov 9eov, dat dus Ignatius' marteldood doet kennen als door God gewild, is er niet mee te vereenigen; immers, volgens Hilgenfeld's opvatting moet God Zijn wil nog openbaren, moet het gebed der Romeinen Hem daartoe bewegen. Het vulv yay evxegé? iauv, kan ook bezwaarlijk van „Fürbitte an Gott" gezegd zijn, en zonderling zou bij deze exegese het verband zijn tusschen cap. 2: iav yag öiwjrijOi/Te are èfiov Aóyos yevrfiopai »eoü (waar dan bepaald zou worden verzocht de voorbede na te laten), en cap. 8: air^e..ö8£ *^1 èfiov, iniTvxa).

Tegen alle voorgeslagen verklaringen bestaan dus gegronde bezwaren. Voor welke zullen wij ons verklaren?

Vóór geene en tegen geene. M. i. is hier niet één bepaalde opvatting te verdedigen, omdat de schrijver zelf die niet had.

Sluiten