Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeggen: „t6 JijJlos .... .... nole^ti"; zoo kan hij zijn vrienden om itQuórris smeeken, dat de duivel (der zelfoverschatting) van hem aflate ').

5e. Phd 3' keert dezelfde beeldspraak, xaxoi (3otaval, terug, die we Tr 6*-' vinden; in Tr. echter met de bijgevoegde verklaring: iotiv aLQSGig. Dezen uitleg acht de schrijver klaar

blijkelijk de tweede maal overbodig.

6e. Tr 137-9, de woorden «« yag vno xtvdwóv tlfit x.x.k., waarmee (behoudens de zegen) de brief eindigt, bereidt kennelijk Rom. voor, waar de inkleeding dezelfde is: „Ignatius" vreest voor het niet bereiken van zijn hartewensch.

7e. Een dergelijk verschijnsel als we in punt 1 bespraken, toont de vergelijking van Phd 11 met Sm 10 en 13. In Phd. wordt de aanwezigheid van Philo en Rhaeus Agathopous bij Ignatius gemotiveerd, in Sm. wordt deze motiveering bekend ondersteld. Toch is er (naar 's schrijvers voorstelling altijd) geen onderscheid in de verhouding van Philadelphiërs of Smyrnaeërs tot de genoemde mannen. Beide gemeenten hebben hen goed opgenomen (^dtjjafffrt avtovg rog xat vfiag 6 xvQiog Phd 11, en avtovs avenavoctTe xara ndvxa tQonov Sm 10) en mogen dus met hun omstandigheden wel gelijkelijk bekend worden geacht.

8e. Vergelijking van de adressen van Sm. en Pol. J) wijst duidelijk uit dat Sm. vooraf moet gaan. Zoo alleen is het gebrekkig adres (imoxómp ixy.Xrjoias ivgvahor), gebrekkig in vergelijking met de overdreven nauwkeurigheid (rijs MaS) der

andere, te verklaren.

9e. Pol 8 eindelijk, is kennelijk het slot van den geheelen bundel. Oiïx r\6wr]&r\v ygatyai" — zoo spreekt de schrijver die voorgoed den stilus neerlegt en zijn lezers vaarwel zegt, hen in de zorg van een geestverwant aanbevelend.

Wij resumeeren: Pol., die den bundel besluit (9e), onderstelt bekendheid van Sm. (8e), welke weer steunt op Phd. (7e).

') Aldus meen ik nl. Tr 4 te moeten verklaren, in afwijking van de gewone interpretatie: (ijioi = afgunst (nl. van den duivel).

!) Vgl. boven, § 6 bl. 62.

Sluiten