Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Phd. wordt bekendheid van Tr. ondersteld (5e); tusschen deze beide moeten we Rom. plaatsen (6e). In Tr. onderstelt de schrijver bekendheid van Mgn. (2e), terwijl we Ef. als het hoofd van den bundel leerden kennen (lp). Punt 3 en 4 bevestigen ten overvloede dat Mgn. en Tr. aan Phd., dat Mgn. en Phd. aan Sm. behooren vooraf te gaan; punt 1 dat Ef. moet worden gevolgd door Mgn., Rom., Phd. en Sm.

Langs dezen weg komen we opnieuw tot de conclusie, dat de schrijver voor alle brieven dezelfde lezers onderstelt dat hij zijn arbeid beschouwd wil hebben als één stichtelijk boek in den vorm van zeven brieven. Dat herhaaldelijk een vroegere passus uit den bundel licht moet verspreiden over een latere — nooit omgekeerd — bewijst tevens dat de Eusebiaansche volgorde de door den schrijver bedoelde is, en dat ten onrechte in later tijd de „brieven" uit hun oorspronkelijk verband zijn gerukt.

§ 9. Lueianus' Tltgi t% ücQeyQivov Tekcvvrje-

Lucianus heeft de aandacht getrokken van menig Christelijk historicus uit vroeger en later tijd; in tal van zijn geschriften toch meende men hatelijke toespelingen op de Christenen en op het Christendom te ontdekken. In onzen tijd vond deze zienswijze een voorvechter in Th. Zahn ')• M. i. terecht wordt zijn meening afgewezen door Croiset2), die haar licht verklaarbaar acht uit de onjuiste voorstelling welke menigeen zich vormt van de beteekenis van het Christendom in de Romeinsche maatschappij der tweede eeuw; immers, „on se figurait la société impériale comme divisée en deux camps: d'un cóté les païens, de 1'autre les chrétiens; et par suite ou se représentait difficilement qu'un seul des grands écrivains d'alors eüt pu

') A. w. [zie bl. 13 N». 1] S. 592-594.

i) M. Croiset, Essai sur Ia vie et les oeuvres de Lueien, Paris 1882, p. 19o.

Sluiten