Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sm l12 tot P. Ef. 21B terugbrengen; naast Pol 51_s kunnen we P. Ef. 516 plaatsen. Aldus moet ook aan dezen Paulusbrief een belangrijke invloed op den vorm der Ignatianae worden toegeschreven.

Van zeer weinig gewicht zijn in dezen de punten van aanraking tusschen onze brieven en de vier andere bovengenoemde Paulinische, l en 2 Tim., P. Rom. en 2 Kor. De invloed dezer laatste bepaalt zich tot een herinnering aan een uitdrukking, een beeld, die „Ignatius" kan zijn bijgebleven.

Op grond van de woorden „ die in iederen brief uwer

gedenkt. .Ef 125, zou men kunnen onderstellen dat onze schrijver slechts die brieven had gekend, waarin rechtstreeks of zijdelings van de Efesiërs melding wordt gemaakt. Die onderstelling zou onjuist zijn: het „é/iav" heeft geen betrekking op de Efesiërs, maar op de rjltrjuévot 12x, op de ware Christenen, samengevat in de modelgemeente van Efese. Dat de schrijver bij het gebruik van iftïg niet aan werkelijke Efesiërs denkt, bewijst het „fytv" van Ef 202, waarbij men vergelijke wat boven, § 8 bl. 99, over deze plaats is gezegd 1).

De betrekkingen met andere Paulinische Brieven zijn evenwel met het oog op de bedoeling van dit onderzoek van weinig belang. Ik verwijs te dien opzichte naar het aan het begin dezer paragraaf genoemde werk: The New Testament in the Apostolic Fathers. Een uitzondering moet ik maken voor den Hebreeërbrief. Niet alleen geloof ik dat „Ignatius" blijkens Phd 9 dezen Brief heeft gekend, maar uit de wijze waarop Christus daar bij den Hoogepriester wordt vergeleken, blijkt m. i. tevens dat hij ook zijn lezers ermede bekend achtte. Zeer zeker kan men dus den Hebreeërbrief rekenen tot die welke op den vorm der Ignatianae invloed hebben uitgeoefend, zonder dat dit nochtans bijdraagt tot het vestigen van onze overtuiging aangaande den aard van het werk.

Gaf Ef 12 ons eenerzijds aanleiding bij den schrijver bekend-

i) Leerzaam is hier vergelijking van het van P- Ef. 3S' en 'let

„de vohis" van Pol. Php. II10.

Sluiten