Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en met Mgn 8 en 10: „Diese Stellen sind ein klarer Ausdruck des selbstgewissen Christlichen Bewustseins, das sich dem Juden thum ebenso bestimmt entgegensetzt, sofern dieses etwas fut sich selbst als Mosaisches Gesetz sein will, wie es zugleich sich mit demselben eins und als dieErfüllung desselben weiss,sote.n

es Weissagung und Typus ist

Hetzelfde kan niet worden gezegd met betrekking o s sc .1 vers begrippen over de zonde. Zonder dat we dit kortweg me een „niet meer» mogen verklaren, moeten we constal:eere.dat hij niet doordrongen is van de beteeken,s der sonde, gel.jk d in het Paulinisme wordt aangetroffen. Zeer dmdehjk wordt d.t uit zijn beschouwing van den kruisdood: slechts dnenaal,R«n (i3 Sm 2' Pol 37, wordt op verlossing van zonden door Christus

Ld - en dan nog terloops - gezinspeeld. Mogen al, geh,k Von der Goltz wil, Johanneïsche opvattingen hier hun mvloec doen gevoelen, - hieruit kunnen we niet alles verklaren; ou ' in den Johanneïschen gedachtenkring is het besel der zon levendiger dan bij „Ignatius", zedelijke vragen wekken zijn

belangstelling slechts in geringe mate *).

Het meest loopen de meeningen uiteen aangaande de betee kenis van de (Christelijke) Wet, ivro^ vó,o? yov XQlaroü, in de Ignatianae. Hoewel Von der Goltz') toegeeft dass gemass der reiferen Entwickelung des Christentums uberhaup ,

infolge des zeitlichen Abstandes von Christus selbst ie oytxara XVo(ov ««0«ÓA«v in konkreter Vereinzelung sich mehr

als früher geltend machen", ziet hij in de Ignatiaansche ivrov geen „kirchliche Gesetzlichkeit" maar een „inneres Grundgesetz , overeenkomende met den Paulinischen vópoe rov nvev^zog zr,S Me. Ten onrechte, dunkt me. Hij grondt zijn meening op Mgn 13, omdat daar gehoorzaamheid aan de öó^ara ra,* «*oarL, wordt gevorderd, uitsluitend „opdat alles wat verricht wordt, in Geloof en Liefde uiterlijk en innerlijk voorspoedig

», Men vergelijke wat in de volgende paragraaf wordt gezegd over de be-

doeling van den schrijver van Pol. Php.

'2) A. w. [zie bl. 15 N°. 34] S. 53.

Sluiten