Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontdekken. Let men op den nadruk waarmee deze in zijn latere werken ») vasthoudt aan de oude lezing, die hij dan op de boven aangegeven wijze verklaart, dan krijgt men den indruk dat deze plaats, neen, deze beide woorden „Wioe oi*" de vraag beslissen; m. i. is noch het een noch het ander het geval.

Ongetwijfeld moeten we de lezing van Zahn en Lightfoot, naar A, volgen. De lezing van g geeft hoegenaamd geen licht over den oorspronkelijken tekst, en die van G L is verklaarbaar uit het streven om een kettersche uitspraak van „Ignatius" tot een orthodoxe te vervormen 2). En een kettersche uitspraak bevat de gezuiverde tekst; ten onrechte zoekt Lightfoot hem te verklaren in den geest van Ef 19, r9ta (ivax^a

ünva iv novtfa »tov ingdx»V £>«v£eea9»j rofg ai&atv, de

overeenstemming schijnt volkomen: %oS — «iyn —

het tt9o£A»wv mag evenwel niet op één lijn worden gesteld met i<pavsgcó9ti, daar ngoigx0^"1 geHjk Pfleiderer opmeikt, steeds een Hervorgehen aus einem Urspiung und nicht das Auftreten nach einem Vorgang" aanduidt; dat dit ook in het lgnatiaansche spraakgebruik zoo is, blijkt uit Mgn 78. De beteekems dezer plaats is geen andere dan dat Aóyo? uit ütytj zijn oorsprong neemt. Zij bevat dus geen anti-Valentiniaansche polemiek, maar de — wel is waar onnauwkeurig weergegeven 3) — Valentiniaansche aeonenleer. De mogelijkheid dat onze Briefschrijver deze gnostische opvatting zou hebben verkondigd, wordt door Nirschl4) ver weggeworpen. Waarom „Ignatius" niet, evenals Clemens Alex. D), op een bepaald punt Valentiniaansch kan hebben gedacht, is mij niet helder. Het gaat nu eenmaal niet

A. w. [zie bl. 13 N°. 3| S. 117 fg. Z W. Th. 1886, S. 180-206. A. W.

[zie bl. 15 N". 401 P- 280- , „ , ,•, -

=) Men bedenke hoeveel moeite Severus van Antioehië heeft, om aan lgnatms

woorden een orthodoxen uitleg te geven; vgl. Lightfoot ad loc

') In dezen vorm evenwel niet ongewoon; vgl. H.lgenfeld, ad loc.; „tyrillus Hiërosol. Valentini doctrinam sic reddidit Cat. VI, 17; BvH, x«l

&nb Y%; itixvonoiii Aiyov' .

4) A. w. [zie bl. 13 N°. 9] S. 6 tg.

>) Vgl. A. Hilgenteld, Die Ketzergeschichte des Urchristenthunis, Leipzig 1884, S. i97 fg.

Sluiten