Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de patriciërs hem in hun kring gedoogden, maar nooit als een der hunnen beschouwden; dat zijn geld dienstig geacht zou kunnen worden om in de tekorten van enkele gezinnen te voorzien, zooals het dit reeds voor de Van Dijcken had gedaan, doch dat men elke vermaagschapping met hem als een redmiddel in den nood bleef beschouwen. En dit moest anders worden. Voor zichzelven verlangde hij geen gelijkstelling, doch de roos in het wit zijner eerzucht was, te beleven dat zijn kinderen in geen enkel opzicht meer aan den timmerwinkel van hun grootvader herinnerd, en door de kleinkinderen van hen, bij wie de oudste Koene met de pet in de hand op de gangmat stond, als standgenooten, dikwijls als aanverwanten, vaker als vrienden, altijd als goede kennissen begroet werden.

Om het daartoe te brengen, had Koene steeds een zekere openhartige bescheidenheid aan den dag gelegd, waarvan het doel was, dat men zeggen zou: Koene verloochent zijn afkomst niet. Dit kon, dacht hij, den aristocraten niet anders dan aangenaam zijn. Kennen moesten ze hem toch, maar zij moesten niet kunnen zeggen, dat hij zich opdrong. Hij hield daarbij slechts met ééne overweging geen rekening. Zijn openhartigheid kwam te goed overeen met de gulheid van zijn karakter, en de ten toon gespreide bescheidenheid deed hem te gemakkelijk berusten in zijn gemis van fijne vormen. Hij kon

Sluiten