Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ouder werden, ontmoette hij haar minder, daar het samen spelen natuurlijk gedaan raakte en zij zelden of nooit bij zijn ouders aan huis kwam. Toen hij zestien was, ging zij, even vijftien, naar kostschool, en sedert had hij haar niet dan hoogst zelden meer teruggezien.

Vergeten had hij haar nochtans nooit. Maar zijn voorstelling van haar had langzamerhand iets onpersoonlijks gekregen. In het afgezonderde leven, dat hij als student leidde, waarin hij alles liet draaien om zijn persoon, kende hij geen zoeter dweperij dan te droomen van de vertrouwelinge, die op den duur zijn zelfbe/ wondering zou deelen, die zijn moeder zou vervangen. Anderen bezig te houden, anderer gedachten te vervullen, het was zulk een groote weelde! Hij herinnerde zich, hoe de oude dokter Van Loon, toen hij, acht jaar oud, zenuwkoorts kreeg, had gemeewaard: — „Wel arme k jongen, jij ook al ziek?" en hoe hij dit beklaagd worden zóó prettig had gevonden, dat hij alle drankjes lief had geslikt. Dikwijls dacht hij daaraan en bracht het in verband met zijn snakken naar „vrouwenliefde," volkomen zich , bewust, dat de zucht naar koestering, geestelijk en lichamelijk, de grondslag vormde van zijn begeerten.

Het „prettig denken aan haar" keerde even onwillekeurig terug als het neuriën van een niet uit den mond te bannen deuntje. Hij las minnedichten — hij maakte er. Hij kon niet,

Sluiten