Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij kon niet slapen; hij staarde wijd voor zich uit, doch zijn oogen begonnen te branden. Bij de vestingwerken tusschen Utrecht en De Bildt ging hij naast den koetsier staan en liet zich gewillig door wind en regen het gelaat striemen, maar de voerman was praatlustig en dit verveelde Frans; en toen hij vergeefs had beproefd een sigaret aan te steken, nam hij zijn oude hoekje weder in en deelde den ruimen wagen met vier burgerjuffrouwen en een ouden heer. Het laatste gedeelte van den rit was hij geheel alleen en hij zou een vollen wagen in zijn geboortestad verkozen hebben, om de afleiding.

In het hotel verzocht en kreeg hij de kamer, die hij eiken keer had gehad; hij bestelde tegen vijf uur een maaltijd en opende, alleen gelaten, een der beide vensters. Het regende nog altijd; een geniepige, bijna onzichtbare regen, die meedoogenloos het gif der verrotting vermeerderde op het weinige gebladerte, dat nog aan de zwartglimmende riffen der boomen was gehecht. Zoover Frans zien kon, in de breede slotlaan, in de zijlanen, nergens ontwaarde hij eenig leven; 't landschap zag er uit als een onafgetrokken decalkeerplaatje; alle wegen waren droevig grauw, het gras ter weerszijden was verflenst, alleen over de modderstrepen naast de wagensporen liep hier en daar een onzekere glinstering.

Teleurgesteld wendde Frans zich af; zelfs de Een Huwelijk. 4

Sluiten