Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe hooghartig de, nu rentenierende, Koker kon wezen. Maar eenmaal lekte er iets van uit. In den raad had een van de heeren geklaagd over den slechten toestand van een -waterafvoer op gemeentegrond buiten de stad en wethouder Koker had zijn geacht medelid volkomen gelijk gegeven en den wensch uitgesproken, „dat meneer den argitek er werk van zou maken, te meer, doar den argitek nie' most vergeten, dat i oorspronkelijk juust voor zu'k soort zoaken is angesteld als opzichter van de gemeênte."

Een half jaar later stierf Droguet en kreeg de gemeente een nieuwen architect-opzichter, en van dien tijd dagteekent het grijzen der haren van mevrouw. Niet de groote zorgen, de zware taak der opvoeding hebben haar oud gemaakt; zelfs toen een vroege dood een einde stelde aan het lange lijden harer oudste lieveling, heeft zij, troost puttend uit de gedachte dat de ziekte had kunnen voortduren maar geen beter keer nemen, daarin smartelijk berust; maar hèm, haren Albert, haren goede, haren aangebedene; hem, met zijn mager, niet mooi gelaat, met zijn droefgeestig karakter, maar — met zijn oogen vol liefde en zijn gouden hart, hem die haar troost was, terwijl zij hem troostte, haar steun, als hij zich op zijn vrouwtje verliet, haar trots, voor wien zij zich had moeten verlagen, hem die, wanneer zij alleen waren, lachend voor haar knielde en haar zijn vwederdrïekwart" noemde,

Sluiten