Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Op de hei, meneer? vroeg Hélène.

— Zoo erg zal 't niet wezen, lachte Land en legde uit, dat meneer Koene binnenkort burgemeester van het een of ander mooi dorp zou wezen.

— Ooo! Nou, as u dat de hei noemt!

— Ja, 't kan hei wezen en 't kan kleigrond zijn! Houdt u van buiten, juffrouw?

— Hè ja, meneer, in een mooi dorp, dat geloof ik! En het meisje rakelde de heugenis op van een uitstapje, dat de familie Land met haar den vorigen zomer naar Baarn en Soestdijk had gedaan.

— U kent Baarn toch zeker, meneer; vindt u het daar óók niet prachtig ?

— Nu, zoozoo, een beetje recht en stijf, wat veel „bijgeharkt" .... Frans herhaalde daar een aanmerking, welke hij vroeger door Herman had hooren maken en die, weliswaar, hem toen had overtuigd, maar waarvan het herhalen nu toch eigenlijk pronken was met andermans oordeel. Hoewel zich hiervan bewust, praatte en twistte hij met zelfvoldoening over de zaak door: zijn eene ik deed hem aan Herman denken, maar het was als vleide een ander ik hem over de artistieke oorspronkelijkheid van zijn vinding

Hij verzekerde, dat hij, nog liever dan in de bosschen van Baarn, van Utrecht naar De Bildt wandelde — „behalve, natuurlijk, op Zondag" — en het gesprek werd nu afgevoerd naar dit

Sluiten