Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX.

't "Was een droevige Paschen. Aldoor regen. De deftige, maar nauwe straat, waaraan het groote huis van den heer Koene stond, zag er druilig uit. Frans zou met zijn vader gaan lunchen bij zijn zuster en stond voor een der breede bovenvensters naar de menschen te kijken, die uit de nabijgelegen Roomsche kerk huiswaarts keerden met kromme ruggen, als vol devotie en om den regen.

Het was hem zonderling te moede, daar in zijns vaders studeerkamer. Hij voelde zich, zoo niet jonger, toch meer kind dan in langen tijd. Zijn gansche leven was deze kamer hem het meest vreemd in het geheele huis gebleven: als kind had hij beurtelings vrees en weerzin tegen het vertrek gevoeld en thans voelde hij iets van eerbied. Deftig, zonder den minsten opschik, was het gemeubeld. Op den breeden lessenaar lagen in onberispelijke orde de dossiers,

Sluiten