Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„net jij Frans, toen je klein was," — maar zonder de minste aandacht te schenken aan de ongelukkige Hélène, die niet wist, hoe ze zich houden moest, daar ook mevrouw Van Dijck niets tot haar zei, doch nu en dan van ter zijde een onderzoekenden blik op haar wierp.

Opeens zag Hélène, die zoo was geplaatst dat ze onder de canapétafel kon kijken, den voet van Mevrouw Van Dijck schielijk naar dien van de freule tasten. Onmiddellijk wendde deze haar gelaat naar mevrouw en begon ze te stotteren in haar vlugge zinnen. Hélène zag dat alles en ook dit, dat Frans zenuwachtig verschoof op zijn stoel en de eerste vraag, die de aanleiding tot dit geval was geweest en waarop Hélène aanvankelijk geen acht had geslagen, weerklonk, keerde — als het ware — terug in hare ooren:

— En je vriendinnetje Annie, hoe gaat het die?

Blijkbaar was dit een dwaze vraag van de freule geweest, want haar zondvloed van vragen en uitroepen had plotseling opgehouden, en om afleiding te brengen, wendde Mevrouw Van Dijck zich nu tot Hélène:

U is vroeger in betrekking geweest, niet waar juffrouw?

Ja, mevrouw, ik was onderwijzeres.

— Te Utrecht, niet waar?

— Ja, mevrouw.

En daar hebbe' de jongelui elkaar leeren

Sluiten