Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroeger een eenvoudige timmermanswinkel was geweest.

— M'n vader was architect, zei hij.

— Zoo? Nu, de vader van Hélène ook, dan passen de jongelui dus bij elkander, was het antwoord van meneer Daalders, en zoowel vader Koene als moeder Droguet bukten het hoofd onder de hatelijkheid.

Was het in antwoord hierop, ten einde den Rotterdamschen advocaat te toonen, dat hij niet de eerste de beste was: de oude heer hield een weisprekenden toost. Herman was er bijna verbaasd over, dat een man die zóó weinig plezier in zijn eigen huwelijk had gehad, zóó werkelijk mooi kon spreken over het geluk der liefde. De zinspelingen, die der meerderheid van het gezelschap genoegen konden doen, bleven niet uit: Koene wilde zich blijkbaar, in tegenwoordigheid van den van hem afhankelijken Van Dijck, zijn schoonzoon, wreken over de stil gedragen beleediging, straks van de anderen ondergaan.

— Minder dan hij had kunnen doen, minder dan velen verwacht hadden, minder dan ook ikzelf wel gewenscht heb, hecht mijn zoon aan vertoon en wat men noemt wereldsche grootheid. Nog tot het laatste oogenblik schijnt men hem hiervan een verwijt te willen maken. Zoo iets, dan was zulk een ontijdig verwijt geschikt, hem in zijn meening over uiterlijken schijn te versterken. Maar ik mag niet vergeten, dat we

Sluiten