Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antwoorden : (1) vooreerst tot de ver-ijling der werkelijkheid (akosmisme) zoodanig, dat de substantie zelve met deze ver-ijling mede verdwijnt; (2) vervolgens tot de ontkenning van het subjekt.

(1) "Wij willen dit aantoonen door kentheoretische beschouwing over het Substantie-begrip. Substantie op zichzelf is eene willekeurige apartstelling van éen moment uit een relatie van twee. Substantie is een relatie-moment. Er is namelijk in de verhouding tusschen Substantie en akcidentie een oer-relatie onzer eigen bewustheid uitgedrukt. Immers: de eenheid van ons menschelijk wezen, is twee-eenheid; wij zijn zoowel Ik-in-mijzelf, als ook Ik-voor den ander. Het eerste is transcendent-ik, het tweede is empirisch-ik. Zoo zijn wij de eenheid, die uitgedrukt wordt in de relatie van transcendent- en empirisch-ik. Maar in deze relatie is het transcendentik het grondfeit, want het is Ik op zichzelf gedacht; het is dus de voorwaarde voor het bestaan van 't empirisch-ik; welk laatste niet denkbaar is zonder het Ik als in zichzelf bestaand. Yan deze relatie van transcendent- en empirisch-ik, waarbij het eerste voorwaarde voor het tweede is, zijn wij ons bewust in de oerkatagorie „substantie-akcidentie". Deze drukt derhalve onze eigen inwendige gesteldheid uit; zij is de kategorie onzer zelfbewustheid. De geest wordt zich daarin van zijn aktieve natuur bewust.

Om nu de zinnenwereld te begrijpen, wenden wij de aan ons zelfbewustzijn ontleende kategorie aan; wij objektiveeren haar; de oer-relatie van substantie-akcidentie wordt geprojekteerd in de zinnensfeer en levert ons de begrippen van eenheid, veelheid, zijn, worden enz. waarmee wij de zinnenwereld onder de tucht stellen van ons begrip. Maar let wel: het is de relatie in haar twee-

Sluiten