Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebt aan Mevrouw X een bouquet gestuurd op haar verjaardag; motief: sympathie. Het motief beweegt tot wilsbesluit en zoo het eenmaal in voldoende sterkte daar is, kan de handeling niet uitblijven; maar zegt de indeterminist: over de wilsmotieven beschikt gijzelf; gij kunt tegen het motief een tegenmotief oproepen en het eerste motief met het tweede bedwingen; gij hebt door uw wil de motieven in uw macht; uw wil beslist in de keus tusschen deze. Bijv. tegenover uw sympathie voor mevrouw X stelt gij uw vrees, dat zij voor dit sympathie-bewijs onverschillig zal wezen; deze vrees is een tegenmotief en beweegt u de zending van den bouquet na te laten; nu beslist uw wil in de keus tusschen sympathie en vrees 1). Zeer wel; maar is dit beslissend wilsbesluit door een daarachter liggend motief beheerscht of niet? Gij beslist vóór uw sympathie en denkt: mijn sympathie voor mevrouw X geldt mij meer dan de overbodige vrees of mogelijk deze bouquet haar onverschillig is; een mensch moet niet zoo kleingeestig met denkbeeldige bezwaren zichzelf bemoeilijken ; wie sympathie gevoelt, dat hij haar toone.... deze beslissing nu, volgt zij uit een ander motief, bijv. uit een algemeener vrijmoedigheid of een behoefte aan vriendschap? En is dus het wilsbesluit toch weer door een motief beheerscht? Antwoordt de indeterminist „ja" op deze vraag, dan loopt hij gevaar, in de armen van zijn vijand, het determinisme te vervallen. Antwoordt hij, dat ook dit algemeener motief op een wilsbesluit berust,

1) Verg. Prof. Domela Nieuwenhuis („Het wezen der straf", rectorale oratie 1899;) acht de zedelijke vrijheid hierin te bestaan, dat de mensch, in wien zelfzuchtige en zedelijk-goede drijfveeren strijden, beslissen kan ten voordeele der laatste.

Sluiten