Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aandeel van het motief voor 't eene geval veel grooter zijn dan voor het andere. Bijv. twee menschen bedrijven een diefstal, maar de eene heeft de gunstige gelegenheid om te stelen gemaakt, de andere gevonden. Of wanneer bij werkstaking twee menschen het werk neerleggen, de eerste uit eigen beweging, de andere na overreding door den eerste, dan moet in het tweede geval de overreding als bestanddeel bfj de omstandigheden geteld. Zoo kan het geschieden, dat in een bepaalde handeling het motief tot zeer geringen omvang is beperkt. Toch heeft in elke handeling het motief een aandeel. Een handeling immers is een aktie, in weerslag op een aangeboden aanleiding; nu mag deze nog zoo dwingend zijn, er is toch pas handeling, zoodra een mensch reageert, zich ten opzichte der aanleiding uitende.

Wat nu betreft de determinatie der handeling door het motief: wij hebben de gelegenheid, den indirekt-determineerenden faktor genoemd — zoo noemen wij liet motief den rechtstreeks determineerenden faktor; maar de determinatie treedt niet in, eer het motief is gevestigd. Zoolang wij in den strijd der motieven verkeeren, is het motief niet gevestigd. Zoolang motief en tegenmotief, bijv. hebzucht en eergevoel met elkaar twisten over den voorrang, zoolang treedt de determinatie niet in; doch zoodra de strijd ten einde is, en een der tegengestelde gevoelens overwon, is ook het overwinnend gevoel — laat het zijn een eergevoel — als determineerend motief aanwezig en bepaalt ons gedrag.

De indeterminist kan dit laatste toegeven; (nl. dat de handeling gedetermineerd wordt door het overwinnend gevoels-motief) maar plaatst nu de indeterminatie aan den anderen kant, nl. voor de beslissing van den motievenstrijd; in den strijd der elkander tegenover-

«J

Sluiten