Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het motief (i. c. mijn eergevoel als beweger tot handeling) is niets toevalligs, geen zielkundig verschfjnsel, dat op zichzelf bestaat; geen grillige inval zonder verband met het geheel x): dat Dionysius op bepaalde aanleidingen reageert met motieven van hebzucht, wraakzucht, enz. is geen toevallig feit, terzijde van 'smans aktueel karakter: het motief is de koncentratie van het aktueel karakter op éen punt. Motieven zijn de reakties van het empirisch karakter op de omstandigheden [d. w. z. naar aanleiding der omstandigheden reageert het karakter met een bepaald gevoels-motief; bijv. de gierigaard reageert met het gevoel der hebzucht op de voorstelling van verkrijgbare schatten]. De rechtstreeksche determinatie onzer gedraging is dus zoo gesteld: het empirisch karakter determineert het motief en het motief determineert de gedraging. Wanneer de gelegenheid en het karakter samenwerkend het motief vestigen, dan is de determinatie der handeling geschied. Gegeven het bestaan van een Tempel te Efeze, waartoe zekere Hierostratus zich zoo en zoo verhield; gegeven het karakter van dezen Hierostratus, zoo was onvermijdelijk het motief van de zucht naar faam, gelijk het hem dreef tot zjyn brandstichting. Hierostratus had niet kunnen nalaten den brand te steken in den tempel van Efeze.

juist is; maar hij acht de vrijheid voorts gelegen hierin, dat deze werkzaamheid ook kan nagelaten, en dit is onjuist. Het tegenwerkend motief als zedelijke kracht, komt in eiken, motieven-strijd voor, daar elk karakter zedelijk karakter is; maar de intensiteit, noodig om te overwinnen, zal er zijn, indien ons karakter reeds deze zedelijke hoogte heeft; anders niet.

1) Een mensch, wiens motieven wèl invallen zijn, bewijst daarmede de grilligheid van zijn karakter en zoo is ook het toevallige als motief verband-houdend met het karakter.

Sluiten