Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verloop. Het zielsgeschieden is daarmee niet verstaanbaar, want het heeft een kenmerk, waarvoor in de objektieve natuur geen analogon bestaat; dit kenmerk is de imperativiteit. Elk motief heeft imperatieven aard, waardoor het optreedt als gebod; de hebzucht als motief houdt het gebod in „wees hebzuchtig" evenals de liefde het gebod inhoudt „gij zult liefhebbenDe imperativiteit is niet afleidbaar uit toestanden q. t. (d. i. uit verschijnselen) noch uit hun aanéén-schakeling. Indien ge nu het psychisch geschieden objektivistisch verklaren wilt als kausaal proces, moet ge zoo eerlijk zijn hetgeen in de objektieve natuur niet voorkomt buiten uw gezichtsveld te laten. De imperativiteit van het motief laat ge alsdan onbegrepen liggen, opdat uw tegenstander het opneme in zijn theorie. Door de aanvaarding nu van een niet-empirischen faktor in het menschelijk karakter wordt de mogelijkheid der imperativiteit begrijpelijk; ge erkent de transcendente Idee in u. In zoover stemt ge met Kant overéén; deze aanname is niet meer dan anti-naturalistisch. Door de erkenning voorts van een verband tusschen Idee en zielsverschijning wordt de psychologische mogelijkheid der vrijheid ingezien. Dit verband is alsdan geen kausaal-verband in tijdsopvolging; maar is aktiviteit. Alle zielsgeschieden wordt dan als vorm van aktiviteit begrepen en de kausaliteit is voor goed een ondergeschikt beginsel bij psychologische verklaring; alle zielsgeschieden is daad, waarbij groote graadverschillen zijn aan te merken tusschen het daad-karakter van het eene en van het andere zielsfeit; een zielsproces, dat bloot objektief natuurproces zijn zou, is er niet. De Idee is ten alle tijde werkzaam. Hare werkzaamheid is dus nooit „ingrijping" — gelijk het wonder in de natuur als ingrijping Gods

Sluiten