Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is dan van gelijk onbelang als het leven van Dionysius.

Tegen het werkelijk bestaan dezer zedelijke natuurwet wordt geargumenteerd op grond der zedelijke ervaring. De ervaring beschouwt den empirischen levensloop en vindt in dezen evenveel reden voor toestemming, dat de natuurwet van het menschenleven een zedelijke ontwikkelingswet is, als dat ze reden voor ontkenning vindt; zij ziet evengoed levens ondergaan als opstijgen, en uit deze tweeledige mogelijkheid besluit zij, dat het leven staat onder een andere wet, of onder de tegenwerking van verschillende krachten.

Dit besluit is overhaast. De ervaring is fragmentarisch en neemt in aanmerking den empirischen levensloop, die ook een fragment is. Uit het fragment leidt zij het geheel af; welke afleiding niet geldt; want integendeel moet van uit het geheel het fragment begrepen worden.

Als laatste argument voor de werkelijkheid eener zedelijke natuurwet in ons, voeren wij het veelzeggend feit aan, dat de mensch als zedelijk wezen (en als zoodanig heeft hij het vermogen der beoordeeling) op de overwinning van het goede vertrouwt; dit vertrouwen heeft geen zin, tenzij als bewijs dat de wet, die over de wezenlijke toedracht des levens beschikt, de wet onzer natuurlijke levensontwikkeling, een zedelijke wet is ')• De hoop op het ideaal is geen hoop-in-vrees, maar is het vooruitzicht der vér-zienden. Niet de verstandelijk gescherpte blik, die de karakters ontleedt, en tegenstrijdigheid opmerkt, maar de liefde ziet hier juist, daar ze door de verschijning des levens héénziet; hoe hooger men staat niet hoe scherper, maar hoe dieper

1) Verg. Spinoza's betoog voor de noodzakelijke overwinning der zedelijke rede over de onzedelijke affekten. Eth. V. 1 —10.

Sluiten