Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3°. (tegen de beweging). Om een bepaald pnnt te bereiken moet een bewegend lichaam eerst de helft van den afstand doorloopen, maar om deze helft af te leggen, moet het eerst de helft daarvan, en van deze laatste helft weer eerst de helft doorloopen hebben, enz. enz. Het lichaam heeft dus een oneincligen afstand af te leggen voor het een bepaald punt kan bereiken; maar de oneindige afstand kan niet afgelegd; beweging tot een bepaald punt is dus onmogelijk.

Het bekende voorbeeld bij dit bewijs is de Achilles, door Zeno als afzonderlijk bewijs met eenige wijziging voorgedragen: de snelvoeter Achilles kan de schildpad niet inhalen als deze een voorsprong heeft; want eerst moet Achilles het punt bereiken, waar de schildpad te loopen begon; daarna 't punt waar de schildpad was toen A. op 't eerste punt aankwam, enz. tot in oneindigheid.

4°. (tegen de beweging). De vliegende pijl staat stil, want de bewegingstijd van den pijl moet ineen veelheid van momenten bestaan; maar op elk moment is de pijl in rust; bestaat de tijd gedurende welken de pijl beweegt uit een aantal momenten der rust, dan staat hij stil.

Het is wel duidelijk aangaande deze bewijzen, die door hem misschien niet met systematische symmetrie zijn voorgedragen, dat er een grondplan in is, ééne gedachte naar twee zijden uitgestald.

In de bewijzen tegen de veelheid, wordt de veelheid genomen naar hare ruimtelijke afmeting (1°.) of naar de arithmetische vertegenwoordiging der afmeting in het getal (2°.) wat uit oogpunt der logische kritiek hetzelfde is. In de bewijzen tegen de beweging wordt niet anders dan eveneens tegen de veelheid geargumenteerd, maar de veelheid niet naar de ruimte doch naar

Sluiten