Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BETEEKENIS DER GRIEKSCHE S( EPTIEK

I

De sceptiek in de (irieksche filosofie.

Heeft de Grieksche wijsbegeerte niet meestentijds geleefd aan den rand des afgronds? En deze afgrond is de Scepsis. Wie aan den rand staat kan evengoed naar rechts als naar links uitzien, naar de veilige bergvlakte als naar het gevaar; maar hij kan niet verhinderen dat zijn reisgenoot in het gevaar stort, nu hij zelf zoo dicht bij den afgrond leeft. Het Eleatisme, het zoo schijnvaste denk-gebouw der aanbidders van de onveranderlijkheid, deze extravagantste dogmatisten — het Eleatisme is niet anders dan een dogmatische schijngestalte van den twijfel. Socrates de groot raisonneur, wiens belijdenis was dat hij niets wist, was door het idealisme zijner ziel geen scepticus; naar zijn methode, de begripsontleding, was hij het wel. Sokrates ware de grootste sofist geweest, zoo hij niet geweest ware de drager van een groot hart. De sofisten zijn sceptici ten dienste der politiek en volksleiding. Zij vonden het sceptisch argument van de ongelijkheden in den kennenden

Sluiten