Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zielebestaan, zoodat men vergeefs het onbekende met het onbekendere zou verklaren.

Toegegeven echter dat men den mensch begreep, zoo ware toch niet bewijsbaar, dat hij in staat is de dingen te beoordeelen '). Want bewees men het, dan moest het bewijs door een mensch beoordeeld worden om te weten of het geldig zij, hetgeen niet mag geschieden alvorens weer bewezen is, dat de mensch in staat is tot oordeelen. Een mensch, die poogde te beslissen of hij oordeelend kriterium was, zou door deze poging alreeds vooruitgrijpen op hetgeen nog moest bewezen worden. Zoo echter een ander levend wezen beslissen moest (bijv. een Godheid), moest bewezen worden, dat hij tot oordeelen in staat is; er moest alsdan een oordeelaar zijn om over dit bewijs beslissing te vellen; deze kan zijn of dat andere wezen öf een mensch; in het eerste geval doet deze ongerijmdheid zich voor, dat het in kwestie-zijnde door het in kwestie zijnde wordt beoordeeld; in het ander geval geraakt men in den vitieusen cirkel; want dan moet de mensch beoordeelen, of het andere wezen beoordeelen kan, dat de mensch kan over de dingen oordeelen.

Maar indien de mensch oordeelaar ware: welke mensch? ») de verstandigste. En zoo uit te maken ware wie tot nu toe de verstandigste is, dan nog zou wegens de onbegrensde mogelijkheid van verstandsontwikkeling in de toekomst een verstandiger mensch kunnen opstaan. En ware de verstandigste aanwijsbaar, dan kon zijn scherpzinnigheid oorzaak juist van misleiding zijn. En

1) 34—36.

2) 37-45.

Sluiten