Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE TOEPASSING VAN HET LEERLINGWEZEN BIJ DE VAKOPLEIDING IN WERKPLAATSEN EN FABRIEKEN IN NEDERLAND.

Inleiding.

De stelselmatige vorming voor het ambacht of handwerk, door middel van vakonderwijs, is eene bemoeiing van de laatste jaren.

Voor dien tijd stelde men zich met de opleiding van de leerlingen in de werkplaats tevreden.

De oorsprong van dit zoogenaamde «leerlingwezen» is te zoeken in de middeleeuwen en hangt samen met de metaalbewerking van dien tijd. Het smelten en gieten der verschillende ertsen, het drijven van koper, goud en zilver, moest bepaaldelijk worden onderwezen en kon niet maar zoo vanzelf worden geleerd, eeliik het huiswerk of de arbeid op het land.

De oude sagen, zooals de «Wielandsage,» wijzen op de opvatting der oudheid, dat b.v. de smeedkunst afkomstig is van dwergen die in de geheimen der tooverkunst waren ingewijd.

Richard Wagner heeft deze «Wielandsage» in zijn «Rino- der Nibelungen, met de «Siegfriedsage» verbonden en heeft ons in zijn «Meistersinger» een schoon beeld geschetst van de kunst van het handwerk en van het leerlingwezen in de latere Middeleeuwen Evenwel, hij gaf ons daarvan een dichterlijk beeld. In werkelijkheid was het ongetwijfeld niet zóó mooi. als het op het tooneel door Hans Sachs en zijn leerlingen wordt voorgesteld.

Dat blijkt reeds uit de ons uit dien tijd overgeleverde spreekwoorden als: «leerjaren = zware jaren» of: .leerjaren geen heerenjaren», of: «wat de meester doet, is welgedaan; wat de gezel doet, gaat ook nog aan; maar de leerjongen krijgt slaan.» of: «meester' wie zelf verzint; gezel: wie wat kan; leerling: iedereen.»

Toch had dit leerlingwezen in den tijd der oude gilden veel, dat in onzen tijd opnieuw toepassing vraagt. Het werd n.1. gedra-

1

Sluiten