Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de leerling voor een deel nut zou kunnen trekken (zooals bv. landbouwwintercursussen), trachte de Commissie het bezoek daarvan in de hand te werken.

De leertijd duurt, als regel, 3 jaar. Aan leerlingen, die nadien leertijd nog niet rijp worden geacht voor het ontvangen van een diploma, als gezel, kan, in zeer bijzondere gevallen, nog langere leertijd worden toegestaan. De leerlingen blijven een, twee of ook wel drie jaren bij eenzelfden patroon. Omtrent de wisseling van patroons beslist de commissie, na overleg met den patroon, bij wien de leerling werkzaam is. Na verloop van den leertijd van drie jaren, moeten de leerlingen voor een door de afdeelino-, onder goedkeuring van het hoofdbestuur der Vereeniging te benoemen commissie, blijk geven, practisch en theoretisch voldoende van het onderwijs te hebben genoten, om het vanwege het hoofdbestuur ter beschikking gestelde, namens het afdeelingsbestuur door voorzitter en secretaris en door de voornoemde Commissie van onderzoek geteekende getuigschrift, als gezel, te kunnen ontvangen. De wijze van onderzoek wordt, mits het voldoende waarborgen geeft, op ernstige wijze te zijn ingesteld, aan de plaatseliike&afdeelingen overgelaten. Meest gewenscht schijnt aan het hoofdbestuur een hoofdelijk onderzoek, aangevuld door de inlichtingen, omtrent den geheelen leertijd van patroons en leermeesters en van de onderwijzers in de theoretische vakken verkregen.

Nu, te bindend is deze algemeene concept-regeling zeker niet. iin dat is haar voordeel.

Reeds heeft de afdeeling «Groningen en omstreken» besloten, met de toepassing proeven te nemen en daarvoor bijzondere regelingen te ontwerpen.

Ook wij zijn zeer belangstellend te vernemen, welke uitkomsten deze proeven zullen hebben. Zoodra een bepaald contract door een afdeeling is vastgesteld, zullen wij dit als een voorbeeld voor andere belangstellenden, die in het tuindersbedrijf het leerlino-wezen wenschen toe te passen, bekend maken. &

Hiermede is geschetst, op welke wijze en in welke bedrijven en werkplaatsen het leerlingwezen ten onzent reeds toepassing heeft gevonden en welke overeenkomsten daarbij gebruikelijk zijn.

III.

Wij gaan nu over tot het behandelen van de vraag, in welke

Sluiten