Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steeds een eerste plaats in en geen landbouwfeest is naar behooren gevierd, wanneer niet Dèwi sèri, Nji SëEi, of hoe men haren naam ook moge wijzigen, hulde is gebracht. Het zij echter opgemerkt dat daarbij niet aan Wishnoe wordt gedacht; do godin is niet meer zijne gade, doch eene op zichzelf staande godheid.

En thans Ciwa. Hem is de hoogste macht deelachtig geworden, de eigenschappen zijner medegoden zijn op hem overgedragen en werden geheel met hem vereenzelvigd.

Werd hij onder het tweede tijdperk van het Hindoeïsme in Indië aangebeden onder den naam van Roedra, in den Indischen Archipel treedt hij als Ciwa op of beter nog als Mahadewa, den grooten god. Roedra was slechts een verschrikkende en vernielende macht, die in het ontoegankelijke gebergte verblijf hield, doch Ciwa vertoont een dubbele waardigheid, die van vernietiger en schepper. Zijn scheppende kracht wordt gesymboliseerd onder den vorm van een steenen zuil, linggam, zijn vernietigende onder dien van Kalaen Yama, grootmeesters van dood en hel.

Dit tweeledig karakter wordt ook der gade van Ciwa toegeschreven. Als godin der bevalligheid heet zij Oema of Parwati, als godin des doods Kali-Doerga. Haar, maar ook haar alleen, droeg men bloedige offers op, zelfs in den vorm van menschen, en heden nog golden de slachtoffers, die de Baliërs brengen, haar persoon. Gelijk Ciwa onder de goden nam zij de eereplaats onder de godinnen in.

Wij komen thans tot de goden van ondergeschikten rang, onder welke Ganeca, god der geslepenheid, kenbaar aan zijn olifantskop, allereerst de aandacht vraagt. Hij is de zoon van Ciwa en Parwati. Talrijk zijn de beelden die van hem op Java worden aangetroffen, waaruit de gevolgtrekking voor de hand ligt, dat zijn vereering eenmaal zeer algemeen moet zijn geweest.

Sluiten