Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche koloniën, dat met het Nederlandsche samenwerkt. Het flnantiëele vraagstuk werd voor een groot deel opgelost door den directen en indirecten steun der Nederlandsch-Indische Regeering. Niet alleen werd de jaarlijksche subsidie voor natuurkundig onderzoek in Nederlandsch-Indië voor de jaren 1893, 1894 en later ook voor 1895 aan de Borneo-expeditie toegestaan, doch tevens werd besloten, dat de leden der expeditie met hunne goederen gebruik zouden mogen maken van de Gouvernements-vervoermiddelen; dit had in Borneo zelf eene groote besparing van kosten ten gevolge.

Verder werd een belangrijk deel der kosten van de Borneo-expeditie door de Maatschappij uit eigen middelen bestreden, terwijl ten slotte een belangrijke som door schenkingen van particulieren en Genootschappen (Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig Congres, Prov. Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, enz.) werd bijeengebracht,

Aanvankelijk bestond het plan, dat de leden der expeditie gezamenlijk Borneo van West naar Oost zouden doortrekken, de Kapoeas op en de Mahakkam af. In overleg met de Regeering werd echter van dit plan afgezien en daarvoor in plaats gesteld als hoofddoel een wetenschappelijke exploratie van CentraalBorneo, meer in het bijzonder in het brongebied van de Kapoeas en haar voornaamste zijtakken.

De personen, die in de laatste maanden van 1893 en m het jaar 1894 aan deze exploratie hebben deelgenomen zijn: voor zoölogie de heer Büttikoffer, toenmaals conservator aan het Rijks Museum voor Natuurlijke Historie te Leiden, voor botanie de heer Hallier, destijds assistent aan het herbarium van den plantentuin te Buitenzorg, voor anthropologie en etnographie de heer Nieuwenhuis, Officier van Gezondheid bü het

Sluiten