Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geest toen geheel opgegaan was, scherp-gezien en, daardoor, personificatie geworden van 't midden-alles-zwijgend-pal-staande, taaie, z'n-eigenzwakte-verbijtende leven, terwijl zij toch 'n vrouw blijft. Van Corneel den molenaar is moeilijk iets zekers te zeggen, behalve, dat deze figuur de wanking van den auteursgeest het duidelijkst aanwijst. Hier schijnt hij mij zoo gewoon, mooinatuurlijk menschelijk en daar weer zoo geheellos-van-zijn-gewone-doen-en-uiterlijk, en geworden: bedoelde-personificatie van het leven zooals dat maar hoogst zelden — in den dichtervisionnair — is, en ginds weer van het troosteloos-noodlot-gedrukte leven, dat hij mij als afbeelding van een werkelijk bestaan-kunnend mensch niet zeer aannemelijk is geworden of, laat mij liever zeggen: dat ik de echtheid der afbeelding als zoodanig niet zóó gevoeld heb, dat ik er niets tegen in kan brengen. Hij lijkt mij Brama's vrouw gelijk, in Goethe's ballade: zijn hoofd zit op een vreemden romp of zijn romp aan een vreemd hoofd. Als Corneel met z'n gewone werk ophoudt en zijne wonderbare uitvinding, die het aangezicht der wereld vernieuwen zal, gaat bepeinzen, en de auteur zegt: „ Danig aangedaan (was hij) want die verplaatsing van zijn voelen en ging niet zonder schokken en hevig harteslaan .. dan gevoelen wij, dat hij hiermede volkomen gelijk heeft, want zelfs wij, de lezers, gevoelen die schokken. Toch

Sluiten