Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SJOFELEN ').

't Zij dat het eindigen van zoo schoon een levensgeheel als door Hartog was doorleden en genoten — zijn eenvoudig, alledaagsch werkerszijn, dat twee zóó fraaie en hooge levens droeg. van kunstenaar èn strijder voor een ideaal van rechtvaardigheid en menschenliefde, gelijk wel onaanzienlijke boom verwonderlijk-mooie bloemen of grove lamp haar teere vlammen draagt — mij dieper hebbe getroffen dan anders doodstijding vermag in 't aanzien en weemoedig-berustend aanvaarden der einde- en doellooze wisseling en 't troostend bedenken, dat ook ik sterven zal — 't zij, dat de lieve en zorgzame wijze, waarop hij mijn werk behandeld heeft, mij hem hebbe doen beschouwen als sinds langgekende broeder-mensch, wiens stille en trouwe gebaren van terechtwijzing ik had lief gekregen, voor wiens blinkende oogopslag van iets-mooisvinden-in-mij ik héél, héél dankbaar was, ik weet niet welke 't is van deze twee of dat wel

1) Rotterdam, W. L. Brusse. Met voorrede door L. van Deyssel.

Sluiten