Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beide het zijn, die zoo droeve en zoete lust mij maken, om, de heugenis van dezen mensch dicht bij mij houdend, als met mijn stille hand op deze roerlooze gestalte-zooals-ik-hem-nu-zie : het gelaat afgewend van mij . .. van ons allen .. . geen deel meer hebbend aan het leven, aan onze pijnen, onze liefden... en toch bij ons behoorend voor altoos ... en voorzeker ter rust gegaan in 't veiligend bewustzijn van eerbiedig en liefdevol herdacht te zullen worden, te mijmeren over ... O, een woord om dat uittezeggen! Wat naam heeft dit, dat mij weer heeft aangeraakt . . . Moet het een nevel heeten, dat vage, omgrijzende, ontastelijke, dat onze vaste bestanen omhuivert ? Maar wie zal een nevel noemen, dat eeuwig en onveranderlijker dan het meest vaste en duidelijke is ... Of is 't aan een water te gelijken, een wijde-kringen-makende stroom door onze blije-en-sombre levenslanden, soms lang, héél lang niet gezien, dan, dachten we het minst eraan, staan we weer plots ervoor en voelen het geheimende van zijn diepte, de benauwende en niet te omvademen idee van zijn aangevoeld-vermoede oorsprong- en eindeloosheid. Ja, wel gelijkenis heeft het daarmeê. Zien we erin, we zien niet meer dan weerspiegeling van gedachteplanten, door onze voorgeslachten en onszelf aan zijn zoom geplant en van de mooie luchten, die wij den hemel noemen. Het weerkaatst, maar openbaart zich-zelf

Sluiten