Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

straat zette hij z'n pet op, liep eerst den verkeerden kant op, suf-verward, draaide zich om, terug-voorbij den patroon, die nog voor zijn deur wachtte, heerscherig uit zijn hoofd, boven den hoog rijzenden romp, als monsterend troepen, die hem voorbij trokken ; als taai-bevochten welvaart stond er zijn huis achter 'm, smakelijk-kalm rookte hij z'n sigaar. Post groette, de patroon maakte de hand-beweging van aanslaan." Daarna de schaamte, dat hij niet opgewassen was tegen den patroon en het zelfverwijt, dat hij zoo laf-blij is omdat het nu voorbij is: „ . . . kwelde hem nog een zelfverwijt, alsof hij iets geniepig-lafs bedreef, omdat hij ook zich tevreden voelde, dat het voorbij was en hij als een snoepster-sóó-heimelijk, zich overgaf aan de bevrijdheid van 't moment."

Hoe prachtig juist de gecursiveerde woorden evenals trouwens die in 't voorafgaande stukje. — Vervolgens de ontmoeting met den ouden door zijn baas aan den dijk gezetten Janus van "Woerden, die nu, om niet van honger te sterven, elke week een bedelomgang houden moet. Het thans weer opkomen van zijn wrok tegen den patroon : hoe hij zich voorstelt als rechter tegenover hem te staan en hem „met felle logenstraffingen z'n huichelarij" aantoont. Deze voorstelling van Post behoort tot dezelfde sfeer van menschelijk voelen als bijv. de voorstelling van graaf de Muffat in „Nana": hij zelf een donderende rede tegen de onzedelijkheid houdend. En zoo zoude ik nog

Sluiten