Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZWERVERSVERZEN J).

Sedert dien tijd dat de tachtigers in hun werk den lievens- en bewonderensgragen eene openbaring van schoon hadden gegeven en in de stille avondkamers de geluk- en liefde-rijke oogen der lezers de nieuwe schatten hadden gezien, moet het, dunkt mij, wel vaak gebeurd zijn, dat, toen het verrukkingssentiment in de van genot-ontsteltenis volle hoofden had uitgehijgd, de lieflijke overpeinzinkjes als klaarder droomen achter de vèr-starende oogen aanluwden, de overpeinzinkjes, die begonnen met: O ! o! dat heb ik ook zoo gevoeld ! en eindigden met het ietwat schuchter maar dol-dolblije voornemen: ik zal,.. ik zal. ..

Jammer was en is 't, dat al deze beminnenswaardige menschen — ik spot niet: beminnenswaardig om hun capaciteit van door-kunstgenieten, hun honger naar iets ideëels — de vervoering hunner eerzucht, de blijdschap huns illusionairen-denkens van O-als-ik-nou-toch-ook'ns-'n-artiest-ware, verkeerdelijk hielden voor de

1) Amsterdam, S. L. van Looy, 1904.

Sluiten