Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij eigen prozawerk, wellicht niet zouden gemaakt hebben. Zoo kwamen er dan al die irritante, larmoyante poëeten met hun gelukkige en ongelukkige liefden, al die zwaar-op-de-handsche bijna-nièts-voelers, die elk peuterig gewaarwordinkje uitdijden en rekten en met deftige, wereldverachtende gezichten kwamen aanbieden, alsof dat nou eigenlijk dè psychische poëzie was, waarop de menschheid zat te wachten en voor deze „verklanking van hun zielezijn" al 't overig aandacht-vorderende uit den weg moest gaan, Dat zij toch niet begrepen, hoe verrukking-voelen door een kunstwerk, wel meestal het kenmerk van een waarachtig mènsch doch nog niet van een kunstenaar is. Daarvoor is vreugde om éigen zielsgebeuren, in éigen ik vol-wassen schoon van noode. En nochtans hebben zij geen schuld. "Want gelijk naar wichelaarsgeloof de koninklijke Mars pestlijders en wond-etterenden stééds in zijn gevolg heeft, zoo schijnt het wel noodzakelijk dat den grooten dichters — voorwaar geen kleiner ramp: — de verdoemelijke, éigenlijk plagiatorische, epigonen volgen. Maar neen, laat me niet onbillijk zijn, zij zijn noch zoo vuil, noch zoo tragisch, zij zijn integendeel modern-sierlijk, onze electrische-tram-dichtertjes, die nu zoo statiglijk langs zorgvuldig afgebakenden weg met ontleende kracht langs straten en pleinen der literatuurstad rollen, hun hier en daar opgehaalde gedachtenpassagiertjes zoo vermooid in 't rijke

Sluiten