Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heen praten. Maar de auteur behoort niét tot die soort menschen, daarvoor is de onzin, die dien gedwongen-lach moet vervangen, te planmatig bij elkaar geharkt. De voornaamheid van de houding — 't luchtig bespreken van wat dan iets schrijnend-pijnlijks moet voorstellen — is de nagebootste voornaamheid van Heine bijv., als hij verhaalt bij 'n paar dames gedineerd te hebben, doch, toen ze over z'n verzen begonnen, maar te zijn heengegaan; de klacht is erg oud, erg afgezaagd-dichterlijk-geniaal, en bovendien zeer verlafd-Multatuliaansch, en de houding zelf hysterisch-huilerig van beklaagd-willen-worden indien ze echt zou zijn, maar Goddank ze is niet echt, 't geheele „gedicht", alles bij elkaar genomen, is maar 'n grapje van onzen dichter, dat hij in een ledig uurtje onder het rooken van een sigaar bij elkaar gekakeld heeft.

2°. Wanneer hij wel iets te zeggen heeft: door het onder-een-vergrootglas-bekijken van alles wat hij maar in zichzelf aanwezig weet, zooals in „de Levende". Als welk een titaan, neen een geheele menigte van titanen stelt hij zich daar niet voor op die, ik zou zoo zeggen, Jan-Apol achtige antediluviaansche wereld. Of: door eea klaarblijkelijk verstandelijke poging uit een zeieren spontaan-ontstanen gevoelsstaat in een h>ogeren te komen, zooals in „Rust", waar dit na de drie eerste strophen, waarin het sentiment uitstekend verwoord is, plaats heeft. Dilwijls

Sluiten