Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in elk geval bruin waren en niet blank; één onnoozele in de rug doorschoten gids; het gegepacificeerde - niet - gepacificeerde-wel-gepacificeerde Atjeh; dit alles heeft hem verouderd voor den tijd. In anderer bijzijn spreekt hij nog wel trotsch over „mijn geurige Molukken, mijn dit, mijn dat," over den Ooster „rijkdom, dien hij nog heeft verrijkt," maar in de stille nacht als de koorts hem overvalt, raast en ijlt hij: „Ik heb geroofd, gemoord, gebrand," dan herinnert hij zich hoe zijn vader weleer Jan Hagel strafte met galg en rad en, zijn hoofd in de kussens gedrukt, steunt hij: „Zij waren minder misdadig dan ik. Menschheid, Menschheid! om Godswil brandmerk mij niet, span mij niet op het rad, noch hang mij aan de galg." Maar genoeg hiervan, laat ons onze blijde stemming niet bederven. Ziet gij die twee ouëlijke ooms daar zitten, 'n beetje stijf in hun jacquets, 'n beetje kruideniersachtig kleinburgerlijk? Misleide de schijn u niet. Het zijn Jan Contant en Jan Crediet, twee deftige heeren, wier hoofd van zorgen, beurs van goü-tienen zwaar is, schoon de eerste meer het goud, de tweede meer de zorgen bezit. Zij weten zich den omstandigheden wonderwel aan te passen, laten, bij hun armen broer Jan Zwoeger op bezoek, horloge, ketting, ringen, gala uit, zijn hem behulpzaam in zijn vakbonden en coöperaties. Ach ja, ik moet nog lachen, als 'k eraan denk: laatst weer van zoo'n excursie thuis-

Sluiten