Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met dézen en morgen met dién lieer plegen te scharrelen Ieder zal moeten toegeven van niet. Alleen in 't geval man en vrouw in „vrije liefde", als waren zij echtgenooten, te samen leefden, zou men de presumptie van getrouwheid, waarvan de wetgever bij de gehuwde vrouw uitgaat, zonder bedenken kunnen aannemen en ware dus de exceptio plurium concubentium voldoende. Maarove1 igens zal t bij de regeling van deze materie hoognoodzakelijk zijn te bepalen, dat de vordering der moeder ook nietontvankelijk verklaard kunne worden op grond van bekend slecht levensgedrag, waaronder natuurlijk valt 't hebben van gemeenschap met meer dan één persoon vóór, gedurende en na het tijdperk van ontvangenis.

Ook door opneming van deze bepaling zullen natuuilijk. niet alle kwade praktijken voorkomen worden, en men behoeft geen ziener te zijn om te vooispellen, dat men bijvoorbeeld zal zien gebeuren, dat een weinig scrupuleus meisje, dat door haar beminde bevrucht is, in afspraak met dezen een gegoed jongmensch tot zich lokt en daarna tegen hem een vaderschapsklacht instelt, om zoodoende een aardig jaarlijkscli sommetje mee ten huwelijk te kunnen brengen. Er is nu eenmaal geen goed, dat niet zijn kwade zijde, en geen kwaad, dat niet zijn goede zijde heeft en zelfs de rechtvaardigste en heilzaamste wetten brengen hun nadeelen mede.

Sluiten