Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehoord hebben. Ja, hij heette Mr. van Groningen, en was lid in den Raad van Justitie. Zijn vrouw is een juffrouw Keijzer; ik meen dat haar vader president van het Gerechtshof te Arnhem is. — Ha, daar zie ik meneer en mevrouw Slot."

De dokter stond op en ging de komenden tegemoet.

Op den bij sterfgevallen gebruikelijken fluistertoon bleven nu de heeren bij elkaar staan praten, terwijl mevrouw Slot de kamer was binnengegaan. Spoedig daarop kwam zij terug, de jonge weduwe steunend, die door Betsy's hartelijk medelijden eindelijk tranen gevonden had.

Zij reikte van Vleuten de hand, een woord van dank stamelend, en ging, na nog een schuwen blik te hebben geworpen op de deur, waarachter het zielloos overschot lag van haar echtgenoot.

Van Vleuten en Betsy waren alleen, en bespraken het droevig geval.

„Je had eens moeten hooren, Jan," zeide zij, „hoe dankbaar zij was! Je zou spijt hebben gehad van je woorden, laatst, weet je nog ? En 't is nog zoo'n kind ... ze is maar een jaar ouder dan ik, en, zie je, pas uit Holland,"

Het laatste woog klaarblijkelijk het zwaarst.

„Hm," deed hij. „Het is maar goed, dat de zaak afgeloopen is. — Zeg eens vrouwtje, je zult vannacht toch geen kippekuren krijgen, hé? Anders zou ik nu nog zien dat we een andere kamer kregen."

„Weineen! Hij zal toch niet bij onskomenspoken/'lachtezij. Voor doode menschen ben ik niet bang. Dat is ook weer zooiets typisch Hollandsch, waai' ik heelemaal aan ontwend ben."

Sluiten